Er stond een tafel.
Er lag karton.
Er was lijm.
En tijd die nergens heen hoefde.

Mensen kwamen binnen.
Sommigen omdat ze iets wilden maken.
Sommigen zonder precies te weten wat.
Dat bleek genoeg.

Een oude bevriende buurman schoof aan.
Hij wilde knutselen.
Alsof dat een vanzelfsprekende bezigheid is.
Het bleek een enorme aanwinst.

Daarna kwamen er kinderen.
En wij zeiden meteen ja.
Ja tegen knoeien.
Ja tegen lachen.
Ja tegen ouders die zin hebben om mee te werken.
We wisten het meteen: dit hoort erbij.

Er kwam een vrouw met een tintelende achternaam.
Ze had veel ervaring met decorbouw.
Dat voelde als een geschenk.

Er was ook een jonge vrouw
die ooit twijfelde tussen biologie en kunst.
Het werd biologie.
Of toch niet.
Ze zat hier nu.
Met papier.
Met handen die wilden maken.

We maakten maskers.
Van papier maché en karton.
Gezichten die te groot waren.
Of scheef.
Of nog niet af.

Billy werkte aan een voet.
Gewoon een voet.
Maar wel een begin.

Reuben bracht koekjes mee.
En maakte foto’s.
Alsof dat er altijd al bij hoorde.

Keyieva zat geconcentreerd te werken.
Hij maakte wangen.
En brillen.
Alsof een gezicht daar begint.
Bij de ronding.

Het was rustig.
Ontspannen.
Niemand hoefde iets te kunnen.

Er ontstond iets.
Langzaam.

En we zijn pas net begonnen.