Ze zijn gemaakt op een woensdag.
Door handen die nog niet weten
wat later “netjes” heet.
Een dopje werd een oog.
Een draadje werd een gedachte.
Een stuk karton besloot
dat het toch nog niet klaar was.
De kinderen zeiden:
Dit is voor iemand.
Maar ze weten nog niet voor wie.
Straks loopt Geen Gezicht door de stad.
Hij kijkt niet.
Hij knikt niet.
Hij heeft tenslotte geen gezicht.
De kinderen lopen mee
en geven deze kleine dingen weg
aan mensen die dat niet hadden verwacht.
Misschien krijg je er één.
Dan houd je iets vast
dat ooit afval was
en nu aandacht is.
Het stelt niets voor.
En daarom juist alles.
Want wat door handen is gemaakt
wil niet perfect zijn.
Het wil alleen
even van jou zijn.










